Categoriearchief: Geschiedenis

968-1280 Elten

In 967 was het graaf Wichman van Hamaland (circa 930-973) duidelijk. Zijn ziekelijke zoontje zou hem niet opvolgen. Zijn ene getrouwde dochter Adela (circa 952-na 1021) had wel aspiraties, maar Wichman wilde voorkomen dat zijn bezittingen via huwelijken in handen van andere families zouden komen. Daarom stichtte hij een nonnenklooster te Hoog-Elten, waaraan hij een groot deel van zijn goederen schonk. Zijn andere dochter Liutgard (ca 955-996) stelde hij aan als abdis. In 973 stierf Wichman jr. en in hetzelfde jaar verleende de keizer Elten bescherming.

Jan van Goyen (1596-1656, manier van), Gezicht op de Rijn en de Elterberg, na 1645.


Het ging Wichman niet alleen om het doorgeven van zijn rijkdommen. De schenkingen werden gedaan ‘omwille van het zielenheil’. Zowel Wichman als zijn familieleden zouden door de giften rechtstreeks in de hemel belanden. De tuin van het klooster deed dienst als begraafplaats en, niet onbelangrijk, vrouwelijke familieleden die niet aan de man konden komen, kwamen in Elten terecht om daar een aan God gewijd leven te lijden.
Echter Liutgard en Adela zouden zich na de dood van hun vader verliezen in een ordinaire ruzie over de erfenis. Adela had met lede ogen moeten toezien hoe het grootste deel van het familiebezit bij Elten was terechtgekomen. Bovendien aasde zij op het gravenambt. Een vrouw in die tijd maakte weinig kans. Adela trouwde daarom met de lokale roofridder Balderik. Het gelegenheidshuwelijk was bedoeld om het machtscomplex van Wichman over te nemen. Daarna werd de strijd aangegaan met Liutgard, want in haar klooster bevond zich de grootste schat. Na veel gekrakeel en een moord hier en een vergiftiging daar, werd besloten tot een boedelscheiding. Vrijwel alle familiebezittingen werden verdeeld tussen Elten en Adela en Balderik, behoudens de leengoederen.

Nardinclant
Een van die leengoederen was Nardinclant, de oude naam van Gooiland. Het lag tussen de rivieren de Eem en de Vecht en grensde zuidelijk aan het Sticht Utrecht. In het noordwesten werd het graafschap Holland aangetikt, in het oosten liep het over in de Utrechtse heuvelrug. Er waren vijf dorpen: Hilversum, Bussum, Laren, Blaricum en Huizen. En een wat grotere nederzetting, Oud-Naarden.
Door de schenking werden de Gooiers horig aan Elten, dat wil zeggen, ze behoorden tot de abdis en mochten onder geen beding het Nardinclant verlaten. Om ervan verzekerd te zijn dat haar nieuwe arbeiders de landbouwgronden goed zouden exploiteren, schonk ze hen gebruiksrechten op ongecultiveerde gemeenschappelijke gronden: niet ingezaaide weilanden of meenten, bossen, heidevelden, moerassige venen, maat- of hooilanden, en open jacht­percelen of waranden.
De heiden dienden voornamelijk voor de schapenteelt, maar er werden ook plaggen gestoken voor de mest­bereiding. Op de weidegronden kon het vee grazen en uit de bossen werd hout gehaald. Ook konden de varkens daar ‘eikelen’ of akeren. De venen leverden turf, op de waranden joeg men op konijnen en hazen en op zandige drassige vlaktes werden sprokkelhout en biezen verzameld. Het gebruik van de gemene gronden was wel naar rato: hoe meer akkerland er werd verbouwd, des te meer gebruiksrechten.

Onvrij werd vrij
Langzaamaan gingen de Gooise boeren hun onvrije lasten als vrije lusten beschouwen en gaven ze deze door aan hun mannelijke kroost. Daar trad Elten niet echt tegen op, want de exploitatie moest doorgaan. Zolang er maar landbouw bedreven werd en de belastingen op tijd binnenkwamen, was er weinig aan de hand. Veel erger was dat de rentmeesters zich bijkans gedroegen als eigenaren van het Nardinclant en inkomsten voor zichzelf hielden. Dit leidde in 1280 tot een belangrijke gebeurtenis.

Anoniem, De Ronde Kaart van Gooiland, circa 1520. Deze vermoedelijk oudste kaart van het Gooi verbeeldt alle Gooise nederzettingen als typische esdorpen; de bebouwing staat te midden van akkers, heidevelden, weilanden en venen – zie de turfstapels tussen Hilversum en Loosdrecht. Omdat de kaart ook grote delen van Eemland, de Vechtstreek en het Sticht beslaat, is het een fraaie weerspiegeling van het oorspronkelijke Nardinclant.

1280-1326 Van meenten tot marken

13 mei 1280. De graaf van Holland, Floris V (1254-1296), kwam te paard bij het kasteel Vreeland aan. De abdis van Elten, Godelinde (abdis van 1272 tot 1288), was al gearriveerd en zat aan tafel in de grote zaal. Floris nam tegenover haar plaats en kwam direct ter zake. Hij overhandigde de door de bisschop van Utrecht bezegelde oorkonde waarin de graaf van Holland liet weten dat Elten een week eerder (6 mei) Gooiland tegen een behoorlijke pachtsom (25 goudstukken per jaar) had overgedragen aan Holland. Godelinde beloofde vervolgens dat Elten en haar juffers ermee zouden instemmen. Na ruim driehonderd jaar kwam een einde aan het Eltense Gooiland. Maar waarom vond deze overdracht plaats? En wat betekende dit voor de Gooiers?

De belangrijkste reden was een machtspolitieke; de Gooise rentmeesters van Elten, de beruchte Van Amstels, klopten steeds vaker en harder op Floris’ achterdeur. Bovendien groeide hun machtsgebied buitenproportioneel. Floris vroeg daarom aan Elten om Gooiland in pacht aan hem over te dragen, inclusief de Gooise bezittingen van zijn belangrijkste rivaal Gijsbrecht IV van Amstel (circa 1230-circa 1303). Die worden in de begeleidende oorkonden usurpaties genoemd, waarmee Floris aantoonde dat de Van Amstels hun Gooise goederen onrechtmatig hadden verworven.

L.K.C. Prins (1887-1957), De eng bij Laren, z.d. De Gooise akkers werden engen genoemd en behoorden niet de gemene gronden. Koeien, paarden en schapen mochten er niet komen, behalve na de oogst. Dan moest het vee de stoppels weg grazen.


De pachtovereenkomst
Waarschijnlijk stemde Godelinde daarom zo gemakkelijk met de overdracht in; ze had immers geen greep op de Van Amstels, waardoor ze inkomsten uit Gooiland misliep. Door de verpachting leverde het gebied weer wat op.
Ze liet weten dat: ‘(…) wij met instemming van ons convent aan Floris, graaf van Holland, en zijn opvolgers een land dat Nardinclant wordt genoemd hebben overgedragen, met alles wat daarbij hoort, de heerschappij, de gezagsrechten, (…) keurmedigen, akkerlanden, gecultiveerde en ongecultiveerde landen, bossen, veenlanden, weidegronden, graslanden, water en waterlopen en alle andere rechtens daartoe behorende zaken die in voornoemd land genoemd kunnen worden’. Van belang is dat zowel de Gooiers als de gemene gronden (ongecultiveerde landen) overgedragen werden. De Gooiers heetten toen nog keurmedigen, een specifieke benaming voor horigen; het beste deel (de keur) van hun erfenis verviel aan de heer of in dit geval de abdis (denk aan de term keurslijf).

Van Nijenrodes: boswachters
Uitgezonderd was het boswachterschap van de heren van Nijenrode, maar de Gooise bezittingen van de heren van Amstel waren dus uitdrukkelijk inbegrepen. Zo schakelden Floris V en Godelinde de heren van Amstel uit. Floris V had nu een slot op de deur, Godelinde was verzekerd van inkomsten uit Gooiland. Let op, ze had Gooiland niet verkocht. Indien de pachtsom niet werd betaald, dan viel het gebied in zijn geheel terug aan Elten.

Marken: agrarische belangenorganisaties
De Gooise boeren waren argwanend. Want wat zou deze machtswisseling betekenen voor hun landbouw en veeteelt? Zouden zij nog vrijelijk kunnen beschikken over hun gemene gronden en akkers? Voordat Floris V zich daadwerkelijk met zijn Gooise onderdanen kon bemoeien, werd hij doodgeslagen op een veldje in Muiderberg. Het machtsvacuüm werd direct benut; de Gooiers organiseerden zich in twee landbouworganisaties of marken. De ene was gericht op de zuiver agrarische gemene gronden als weilanden en heidevelden, de andere op het bos.

Vertegenwoordigers van de stad Naarden en de dorpen Blaricum, Bussum, Huizen, Hilversum en Laren zaten vergaderingen voor en stelden reglementen op waarin werd bepaald door wie en op welke wijze de gemene gronden gebruikt mochten worden.
De gebruiksrechten op gemeenschappelijk of ‘gemeen’ gelegen gronden waren aanvankelijk gebaseerd op het bezit van akkergrond en verbonden aan de hoeve of boerderij – zakelijke rechten – en ontwikkelden zich tot persoonlijke overerfbare rechten, waardoor de bezitters ervan geërfde boeren werden, vandaar: erf-gooiers: meerderjarige mannen die woonden in Gooiland en in mannelijke lijn afstamden van … erfgooiers. In de middeleeuwen noemden ze zich nog ‘waerslude’, naar het Middelnederlandse ‘waer’ dat recht op het gebruik van onverdeelde gronden betekende.
Marken en geërfde boeren kwamen trouwens in heel Nederland en zelfs in heel West-Europa voor, alleen werden ze anders genoemd: in Drenthe en Twente buurschappen en buren, in Engeland commons en commoners, in Duitsland Gemeinden en Erben en in België vroenten en aanborgers. Erfgooiers waren dus geen aparte mensen of bewoners van een geïsoleerde enclave, maar verwant aan veel boeren in binnen- en buitenland.

Anoniem, De moord op Floris V in 1296, 1664-1669.

1364-1568 Schaar- en bosbrieven

Het is 1396. Het stedelijke rechtsgebied van Naarden werd enorm uitgebreid. In feite trokken de landmeters een cirkel om de stad, zelfs helemaal tot aan de Loodijk en weer terug. Daarbinnen lag de Hilversumse meent, een voor de Gooise boeren en vooral Hilversummers noodzakelijk weidegebied. En ineens was dat weiland onderhevig aan het Naarder stadsrecht…

De gebruiksrechten van de erfgooiers stonden hierdoor onder druk. In Naarden bevonden zich ook erfgooiers, die als nieuwbakken stedelingen een andere blik op de gemene gronden ontwikkelden: ontginnen en te gelde maken, bestemmen voor blekerijen of leerlooijeren en misschien zelfs als bouwgrond. Maar veel erger was de ophanden zijnde verkoop van erfgooiersrechten aan nieuwe Naarders, waardoor er erfgooiers bijkwamen die niet op basis van geboorte en overerfde rechten hun koeien en paarden op de meenten zouden brengen.

Anton Mauve (1838-1888), Herder met zijn kudde, z.d.


Los die ruzie op!
De erfgooiers op het platteland hadden hier geen trek in en waarschijnlijk sloegen ze er flink op los. Er werd van buitenaf ingegrepen door niemand minder dan de Hollandse graaf. Hij wilde van deze twisten snel af, want rumoer is altijd slecht voor de inkomsten.
Vandaar dat hij toestemming verleende om de ruzie op te lossen. Op die manier liet hij zijn macht gelden en bracht hij rust in de Gooise tent.

Zodoende kwamen Naarden, het Gooise platteland en de Hollandse graaf in 1403 tot het besluit om wat er nog over was van de gemene gronden voor altijd te behouden, op enkele ontginningen na. Dit betekende dat bepaalde onttrekkingen niet ongedaan konden worden gemaakt, maar dat nieuw grondverlies uit den boze was. Om onenigheid te voorkomen, moesten de nieuwe afspraken en oorspronkelijke regels op schrift worden gesteld.

Schaarbrieven
Dit resulteerde in een regeling waarin niet alleen bepalingen werden opgenomen over het gebruik, behoud en beheer van de gemene gronden, maar ook – het meest belangrijke – werd vastgesteld wie er toegang hadden tot de gemene gronden. Alleen erfgooiers die een boerderij hadden mochten hun rundvee en paarden laten grazen of ‘scharen’ op de meenten. Daarom werd dit reglement uit 1404 de eerste schaarbrief genoemd.

Aanvankelijk leidde dit tot weinig problemen. Toch waren de afspraken niet helder genoeg. De eerste schaarbrief liet te veel ruimte aan vreemdelingen om de weilanden en heidevelden te gebruiken, zonder dat de erfgooiers daar veel aan konden doen. In 1442 werd deze onverkwikkelijke praktijk gestopt via de tweede schaarbrief, waarin de gebruiksvoorwaarden werden aangescherpt. Louter vanouds rechtmatige erfgooiers hadden nu toegang tot de gemene gronden. Ze moesten nog steeds een boerderij bezitten, maar er kwam nog een pakketje voorwaarden bij: men moest getrouwd en meerderjarig zijn, en over een stuk grond op de eng beschikken.

De eerste schaarbrief zag in 1404 het licht, gevolgd door de tweede in 1442, de derde in 1455 en de vierde in 1568.


Scharend versus niet-scharend
Het gevolg was dat steeds maar één mannelijke telg uit één gerechtigd erfgooiersgezin volledig gebruiksrecht kreeg. Dit zorgde voor het onderscheid in scharende en niet-scharende erfgooiers, boeren met honderd procent en boeren met verminderd gebruiksrecht op de gemene gronden. Doorgaans trad de oudste zoon in de voetsporen van zijn vader. Hij erfde de boerderij, de akker, trouwde en had na zijn vijfentwintigste (de toenmalige meerderjarige leeftijd) het erfgooierschap verkregen. Let op, het erfgooierschap verkreeg men bij leven, je hoefde dus niet te wachten op de dood van je vader. Deze boer werd een scharende erfgooier. 

Maar zijn broers bleven verstoken van schaarrechten, want ze hadden geen boerderij. Misschien hadden ze wel een stukje grond op de akker, en wellicht trouwden ze met een erfgooiersdochter, maar ze kregen zonder die boerderij geen volledig gebruiksrecht. En hier komt het: hun erfgooierschap ging nooit verloren, maar of ze er wat aan hadden, was maar de vraag. In de middeleeuwen kon dat nog wel eens meer dan genoeg zijn, want turfsteken, sprokkelhout rapen en paddenstoelen of riet of bramen of kersen verzamelen, het waren toen welkome aanvullingen op het bestaan. Deze niet-scharende erfgooiers bleven meestal bij hun scharende broer wonen, maar in de loop van de tijd werden ze ketellapper, visboer, aanzegger of schoenmaker. En zo groeide de groep niet-scharende erfgooiers tot de bijna vijfduizend exemplaren in de jaren 1970 die ‘wilden beuren’.

Bosbrieven
Het bosgebruik stond in verband met dezelfde gebruiksvoorwaarden, waardoor alleen de land- en boerderijbezittende klasse het bos kon benutten. De erfgooiers maakten hierover afspraken – de bosbrieven – met de heren van Nijenrode, die het in 1280 voor elkaar hadden gekregen dat ze opzichters van het Gooise bos bleven. Zij hieven een speciale belasting: de koptiende, genoemd naar de koppen graan waaruit de belasting bestond.

In 1527 liet Willem Turck van Nijenrode zijn ongenoegen blijken over het bosgebruik en de wijze waarop er met hem werd gecommuniceerd. Hij zou een nieuwe bosbrief bepalen, niet die vermaledijde erfgooiers. Het was de opmaat tot ongebreideld bosgebruik en veel conflicten tussen erfgooiers en de heren van Nijenrode.

1419-1482 Bourgondisch bewind

‘Ik zal vorst blijven zolang Hij wil, ondanks al diegenen die dat betreuren, wat ik niet betwijfel, want God heeft mij de macht en de middelen gegeven, die ik u ontraad te beproeven (…). Ik heb liever dat gij mij haat dan veracht, want noch ter wille van uw privileges – die toch niets waard zijn – noch om enige andere reden zal ik me van mijn stuk laten brengen, noch iets laten gebeuren ten koste van mijn hoogheid en heerschappij: ik ben immers machtig genoeg om zoiets te weerstaan (…)’.

Wie zich op deze wijze uitlaat, is helder. Hij is de absolute heerser onder of misschien zelfs naast God. Hier spreekt een caesar (keizer), vergelijkbaar met de Romeinse keizers die eeuwenlang over Europa heersten. Zij schoeiden de maatschappij op Romeinsrechtelijke leest, een rechtsstelsel dat haaks stond op de middeleeuwse inheemse rechts­praktijk met zijn moeilijk te interpreteren gewoonterecht en gestapelde eigendomsverhoudingen. De meeste Europese vorsten, graven en andere potentaten namen daarom halverwege de vijftiende eeuw het Romeins recht als leidraad, en zorgden ervoor dat het stelsel – dat tot op de dag van vandaag vigeert – vrijwel overal werd ingevoerd. Dat deden de op alleenheerschappij beluste hertogen van Bourgondië ook. Bovenstaande uitspraak was namelijk van Karel de Stoute (1433-1477), onder meer graaf van Holland en in die hoedanigheid de ‘baas’ van de erfgooiers. Dit moest wel tot botsingen leiden. Immers we zagen dat de erfgooiers vooral op eigen initiatief de exploitatie en het behoud en beheer van ‘hun’ gemene gronden regelden.

Voor het Hof van Holland
In 1470 troffen de partijen elkaar voor het Hof van Holland. Zowel de advocaten van de graaf van Holland als die van de erfgooiers ondersteunden hun gelijk met een ampel pleidooi waarin ze gebruikmaakten van dezelfde bewijsstukken. Terwijl de grafelijke pleitbezorgers bleven hameren op het ontbreken van schriftelijke en door de Bourgondiërs bevestigde bewijzen betreffende een eventuele grondeigendom van de erfgooiers, baseerden de erfgooiers zich op de eerste want door de graaf van Holland bevestigde schaarbrief uit 1404. En de pachtovereenkomst uit 1280 was voor beide partijen van nut. Karels advocaten beweerden dat de Hollandse grafelijkheid toen eigenaar en dus baas van Gooiland was geworden, de erfgooiers wezen er fijntjes op dat het om een erfelijke pacht ging en dat de werkelijke eigenaar en dus baas van Gooiland in Elten resideerde.

We kunnen hier rustig over een patstelling spreken, ware het niet dat de Haagse rechtbank pardoes in het voordeel van Karel oordeelde. De rechters waren niet onder de indruk van de zogenaamde gewoonterechten van de erfgooiers. En documenten als schaar- en bosbrieven hadden weinig tot geen rechtsgeldigheid. Sterker, in 1280 had er een volledige overdracht van Gooiland plaatsgevonden. Alleen een kniesoor lette op de constructie van een erfelijke pacht. En dat de graaf van Holland jaarlijks een pachtsom moest overmaken op straffe van excommunicatie en verlies van Gooiland, dat waren maar details. Er was maar één heer van Gooiland en er had er maar één gezag, macht en daarmee de eigendom: Karel de Stoute.

Anoniem, Zitting van de Grote Raad van Mechelen onder leiding van Karel de Stoute, 1473. Karel de Stoute besloot Mechelen de vaste residentie te maken van de Grote Raad.


Naar Mechelen
De erfgooiers waren uiteraard ontevreden. Gek genoeg was Karel ook niet helemaal gelukkig, want het Hof had de erfgooiers wel bevestigd in de eigendom van hun akkers. Karel wilde daar ook zeggenschap over. Zodoende gingen ze in 1474 allebei in beroep bij de Grote Raad van Mechelen, het toenmalige beroepshof van de Lage Landen. Er werden geen nieuwe bewijsstukken aangevoerd – dat mocht ook niet; het beroep vond plaats op basis van dezelfde stukken als in 1470. Maar de Mechelse rechters oordeelden totaal anders. De Grote Raad vernietigde de uitspraak van het Hof van Holland en kwam enerzijds de grafelijkheid en anderzijds de erfgooiers tegemoet; de eigendom van de gemene gronden werd aan eiser (Karel) toegekend, terwijl het gebruik daarvan aan de gedaagden (erfgooiers) werd toegestaan. Precies zoals het meer dan driehonderd jaar onder Elten was gegaan en idem vanaf 1280 tot 1470 onder de opeenvolgende Hollandse graven.
1474 is daarom een mijlpaal in de erfgooiersgeschiedenis. In feite formaliseerde de Grote Raad het wettelijk onderscheid tussen bloot-eigendom en eeuwige gebruiksrechten. Kortom, er lag niet alleen een stevig juridisch fundament onder de grafelijke aanspraken op Gooiland, maar ook onder de gebruiksrechten op de gemene gronden van de erfgooiers. En in vrijwel alle nadien ontstane conflicten met de verschillende overheden werd door de erfgooiers met succes verwezen naar 1474.

Anoniem, Portret van Karel de Stoute, hertog van Bourgondië, circa 1460-1480.

1500-1700 Eenheid

Het is om en nabij 1530. Enkele Loosdrechters hadden jarenlang fanatiek gewerkt aan de vergroting van hun percelen en waren halsoverkop de grens met Gooiland overgestoken. Ze besloten om ook daar grond te ontginnen, terwijl de erfgooiers er sprokkelhout, paddenstoelen en plaggen haalden. Toen de Hilversumse erfgooiers vernamen dat de Loosdrechtse buren niet van plan waren te vertrekken, protesteerden alle erfgooiers tegen dit landjepik…

De reden was simpel. Ieder verlies van gemene grond tastte het collectief aan en dat zou op termijn meer en grotere problemen opleveren. En als de groepsamenhang wegvalt, dan neemt de onderlinge agressie toe, dat wisten de erfgooiers maar al te goed. De strijd tegen een gezamenlijke vijand zou niet alleen de pijn van eerdere interne conflicten verzachten, maar ook bijdragen aan een hechtere en vooral sterkere erfgooiersgemeenschap.

Joachim van Sandrart (1606-1688), Portret van Pieter Cornelisz Hooft (1581-1647), drost van Muiden, geschiedschrijver en dichter. Ten halven lijve, bij een tafel met een boek en een globe, 1630-1700.


De Kerkelanden
Bijna vijftig jaar eerder was de Grote Kerk Naarden geheel afgebrand, een ramp voor de stad en de parochianen. Vandaar dat rap werd overgegaan tot herbouw. De erfgooiers – de kerk van Naarden was belangrijk voor de regio – besloten bij te dragen in de vorm van een schenking van uitgegraven stukken veen die met aarde waren volgestort (vullingen), gelegen tussen Loosdrecht en Hilversum. Later zouden ze Kerkelanden genoemd worden, ‘landen behorend tot het bezit van een kerk’. De Naarder kerk verpachtte deze venen aan de Loosdrechters en verzekerde zich op die manier van inkomsten.
De verpachting was echter zodanig geregeld dat de Loosdrechters juist gronden aan Gooise zijde in pacht kregen die op hun eigen percelen in Loosdrecht aansloten. In de loop van de tijd hadden ze die gronden voor het gemak in cultuur gebracht. De vullingen waren allengs redelijke bouw- of weilanden geworden en aan de kim lag nog veel meer tot cultuur te brengen woest land. Uiteindelijk kwamen de Loosdrechters steeds dichter bij niet aan hen verpachtte grond. Ook daar wisten ze wel raad mee, vooral omdat ze er bijna nooit erfgooiers zagen. En als ze dat wel deden, dan zagen ze erfgooiers die eigenlijk niets deden. Wat de Loosdrechters zich niet goed realiseerden, is dat dergelijk gebruik van grond gangbaar en typerend was voor die erfgooiers; een minieme benutting door zo weinig mogelijk mensen.
In 1534 besloten Hollandse bewindslieden in het voordeel van de Loosdrechters. ‘Laat ze ’t allemaal maar houden’, klonk de volkse samenvatting van hun besluit. De reden was dat zij jarenlang grote kosten hadden gemaakt om die gronden sowieso van nut te laten zijn. Bovendien kregen ze toestemming om hun percelen uit te breiden en deze na gedane zaken rechtmatig en werkelijk los te maken van Gooiland. En zo ontstond Nieuw-Loosdrecht… op voormalige erfgooiersgrond. De erfgooiers hadden hun lesje geleerd en sloten de gelederen. Maar toen een schoonzoon van Willem van Oranje zich in 1619 vergaapte aan deze en andere Gooise vullinglanden, begon het van voor af aan…

C. Danckertsz de Rij (1603-circa 1656), Kaart van Gooiland, van Hilversum tot Vreelandt en Naerden tot Weesep. Verso: Caerte van ‘sGraveland behorende bij de kiste van ‘s Grave[e]l[an]t. No. 26 Zuiden boven. A (492.622) 003, 1636. Danckertsz de Rij was landmeter en cartograaf van het project ‘s-Graveland. Hij maakte deze kaart waarop het Eerste Blok er groengekleurd en maagdelijk bij ligt. Een zandige kale vlakte was veranderd in een rechthoekige bouwstrook, geschikt voor de aanleg van buitens met siertuinen, doorkijkjes, grote vijvers en ruiterpaden. De bewoners lieten nadien eromheen weilanden aanleggen, terwijl verderop jonge aanplant snel verboste en flora en fauna tot leven kwamen.


De burgeroorlog om ‘s-Graveland
Prins Emanuel van Portugal (1568-1638) achtte complexen ten zuidwesten en westen van Hilversum uitermate geschikt voor de aanleg van enkele buitenplaatsen. Hij vroeg aan de Gooise baljuw P.C. Hooft (1581-1647) toestemming om ze aan te kopen. Hooft weigerde. Er rustten namelijk erfgooiersrechten op die gronden. Vijf jaar later was zijn bezwaar verdwenen en wilde hij samen met enkele Amsterdammers zélf de gebieden exploiteren. Maar de erfgooiers waren niet van plan hun gronden op te geven.
Gevolg: een heuse burgeroorlog. Aan de ene kant stonden de erfgooiers die met man en macht hun gebruiksrechten overeind probeerden te houden, onder meer door de al aangevangen ontginningswerken te ‘renverseren ende ommesmijten’ (vernietigen en omvergooien). Aan de andere kant maakte Hooft gemene zaak met de Amsterdammers om in ieder geval ‘s-Graveland aan te leggen en daarbij de hulp van de overheid in te roepen.

Op 13 maart 1626 lieten de ‘Ridderschap, Edelen ende Steden van Hollant etc’ op niet mis te verstane wijze weten dat het afgelopen moest zijn met het hinderen van de ontginning ‘alsnu genaemt S Gravenlant’.
Echter het zou nog tot 1634 duren voordat er een compromis werd bereikt. Op basis van een ‘buurspraak’ of algemene vergadering tekenden de erfgooiers dan eindelijk de vrede. Vanaf die tijd mocht niet zomaar en zonder overleg erfgooiersgrond voor andere dan agrarische doeleinden bestemd worden, laat staan dat het werd verkocht aan ‘buitenmensen’. Bovendien konden de huidige en toekomstige bewoners van het latere ­‘s-Graveland op geen enkele wijze profiteren van de Gooise gemeenschappelijke gronden. En dat gold ook voor erfgooiers die daar gingen wonen.

J. van Santen (kopie), Caerte ende Meetinghe gedaen (…) In Hollandt van seekere Bosch ende Vullinghe gelegen in Goylandt, 1597. De Loosdrechters waren Gooiland ‘ingewaaierd’ en hadden een fors stuk Hilversums grondgebied opgeslokt – bedenk de boog tussen de delen A en B, later het Eerste en Tweede Blok.

1700-1836 In kaart gebracht

Aan het begin van de achttiende eeuw pikte François Hinlopen (1657-1735), een rijke Amsterdamse pendelaar, het niet langer. Hoewel Hinlopen een Gooise hofstede bezat, moest hij van de erfgooiers betalen voor het weiden van zijn vee en paarden. Die erfgooiers schermden met rechten waarvan de rechtsgeldigheid door Hinlopen ernstig werd betwist. De kwestie werd door hem voor het gerecht gebracht en verloren. De zaak had bijzondere resultaten: een namenlijst van de erfgooiers en een aantal fraaie kaarten van het Gooi.

Het wagenpark van de Hofstede Oud-Bussem, 1917. Aan enkele oude Gooise hofsteden was schaarrecht verbonden, een overblijfsel uit de Eltense tijd. Die rechten waren niet overerfbaar. Oud-Bussem bestaat nog en was ooit een modelmelkerij, waarin op zeer hygiënische wijze melk werd verkregen.


Tot 1702 had François tegen betaling zijn koeien en paarden laten grazen op de Gooise weilanden. Maar hij vond dat hij en zijn oom Michel (1619-1708) nu al zolang op het landgoed Oud-Bussem hadden gewoond, dat het schaarrecht hen persoonlijk toebehoorde. Geërgerd besloot hij in 1705 zijn koeien en paarden zonder betaling op de meenten te brengen. Die werden direct door de schaarmeesters in beslag genomen en verkocht bij openbare verkoop, zoals de geldende schaarbrief voorschreef. Maar Hinlopen deed aangifte en zocht het hogerop. Hij baseerde zich daarbij op de eerste schaarbrief uit 1404, waarin wordt gesteld dat uit elk huis, waarin twee paar volks woonde, twee schaarbeesten meer op de meenten gebracht mochten worden. En hij zag een doorslaggevend argument in het (dubbele) schaarrecht van de hofstede Oud-Bussem.

De erfgooiers verweerden zich als volgt: Hinlopen was én geen man uit man geboren Gooier – geen erfgooier – én dus had hij geen gebruiksrecht én daarom geen schaarrecht. Bovendien woonden hij en zijn oom op één landgoed… maar in verschillende huizen. Hoe zat het nu? Het zakelijke schaarrecht dat op de hofstede Oud-Bussem rustte, werd erkend, maar dan alleen vanuit de plek waar dat oorspronkelijk had gestaan – het was in het Rampjaar 1672 platgebrand en kennelijk een stukje verderop herbouwd. Kortom, François Hinlopen kon zijn vee niet gratis laten grazen op de Gooise meenten. Het vonnis van de rechtbank luidde overeenkomstig. Hinlopens pogingen om de gebruiksrechten van de erfgooiers onderuit te halen liepen op niets uit, net als die om persoonlijk schaarrecht te verkrijgen.

Echter in zijn kielzog verzamelde zich een aantal in het Gooi wonende lieden dat rundvee en paarden bezat, maar tevens van het schaarrecht verstoken bleef. Het ging om rijke kooplieden of om wevers en smeden die soms getrouwd waren met een erfgooiersdochter, maar geen enkele kans maakten op het schaarrecht als Stad en Lande zich aan haar uitgangspunten hield. Hinlopen adviseerde om het schaarrecht aan hen toe te kennen, onder andere op basis van het argument dat de erfgooiersrechten ‘ingeslopen misbruiken’ waren en voor ‘een groot deel op geen andere grond dan aanmatiging steunden’. Opnieuw tevergeefs.

Ferdinand Hart Nibbrig (1866-1915), Larensche typen, circa 1910.


De namenlijst en kaart van Walraven
Maar de overheid twijfelde aan het bestaansrecht van Stad en Lande en de erfgooiersrechten. Er rezen vragen als ‘wie zijn dat, erfgooiers’, ‘wat zijn schaarrechten’ en ‘waar liggen die meenten dan’. Er moest een kaart van Gooiland vervaardigd worden, met de exacte aanduiding van de erfgooiersgronden, samen met een lijst van alle erfgooiers met naam en toenaam. In 1708 lag er een geschrift met 1088 namen van gerechtigde erfgooiers. Interessant is dat de lijst een toevoeging kent van de ‘uitwonenden’, erfgooiers die niet meer in het Gooi woonachtig waren. Zij hadden geen gebruiksrechten. Zodra zij weer op Gooise bodem woonden, werden die ‘geactiveerd’. Later worden deze erfgooiers ‘slapend’ genoemd.

Een drietal kaarten en enkele subkaarten verschenen tussen 1709 en 1723, waarop duidelijk aangegeven was waar de meenten, venen, maten (hooilanden), bossen en engen van de erfgooiers lagen. Feitelijk had Hinlopen ervoor gezorgd dat de erfgooiers en de precieze locaties van hun ‘gemene gronden’ respectievelijk waren opgetekend en in kaart gebracht. Het bleek echter een bestendiging van hun gebruiksrechten en gronden, iets wat François niet bepaald voor ogen had. De namenlijst is tot de ontbinding in 1971 als grondslag gebruikt om te bepalen wie de ‘echte’ erfgooiers waren.

Maurits Walraven, Goylandt met de Nieuwe Limiet-schijding tussen Goijlandt en het Sticht van Utrecht Volgens de Conventie in dato 14 Iulij Aº 1719, 1723 (1:14800).

1836-1898 Verdeling

Door de namenlijst uit 1708 en de kaart uit 1723 wist men wie de erfgooiers waren en waar hun gemene gronden lagen. Maar nog steeds wilde de overheid het liefst van ze af, terwijl de erfgooiers aan hun gebruiksrechten vasthielden. ‘Another accident waiting to happen …’. Op een avond had de Hilversumse notaris Albertus Perk (1795-1880) een lumineus idee. Zowel de overheid als de erfgooiersorganisatie zou over bepaalde delen van Gooiland de exclusieve eigendom verkrijgen. Om een en ander te verduidelijken werd opnieuw een kaart vervaardigd (1843-45). En bij de verkopen van het deel dat de overheid in bezit kreeg, verschenen zogenoemde veilingkaarten (1837, 1843).

Aan het begin van de negentiende eeuw hadden veel meer mensen genoeg van al die woeste en onrendabele gemeenschappelijke gronden. Het devies was: ontginnen! Het zou de boeren meer eigen land opleveren en stedelijke armoedzaaiers zouden zich op het platteland kunnen vestigen om daar als landbouwer aan de slag te gaan. In 1809 werd een wet aangenomen die de verdeling van gemeenschappelijk bezit moest stimuleren. De overheid liet ook haar oog vallen op de Gooise gemene gronden. Volgens oude gewoonte kwamen de erfgooiers in vergadering bijeen in de Grote Kerk Naarden om over deze voornemens te debatteren. Men stemde eendrachtig tegen. Klaarblijkelijk hadden de erfgooiers daartoe het volste recht, want de overheid kon ontginning toen niet afdwingen of liever gezegd nóg niet afdwingen.

Anoniem, Albertus Perk (1795-1880).


De eerste verdeling van 1836
Zeventien jaar later. Albertus Perk trad aan als secretaris van de erfgooiersorganisatie. Hij was naast notaris ook agent van Domeinen. In 1837 werd hij bovendien directeur van de Maatschappij ter bevordering van de cultuur in Gooyland. Tevens bekleedde hij lange tijd het ambt van gemeentesecretaris te Hilversum, waarna hij daar ook raadslid en wethouder werd. Door die combinatie van functies en ambten had Perk zicht op en kennis van de wensen, motieven en strategieën van de organisaties die zich bemoeiden met de ontginningsproblematiek. Ook kon hij de gevoelens van de erfgooiers peilen en hen zo nodig laten weten dat zij altijd over de ophanden zijnde regelingen zouden mogen stemmen en dat hun besluiten bindend zouden zijn.
Voor Perk was het niet de vraag of er een botsing zou komen tussen de autoriteiten en de erfgooiers, maar wanneer. Hij deed daarom studie naar de erfgooiersgeschiedenis en kwam tot de conclusie dat de gebruiksrechten van de erfgooiers en de eigendomsrechten van de overheid (of overheden) allebei rechtskracht hadden en geldig waren. Daarom dacht hij aan een ‘ruil’ om een conflict met onbekende afloop te voorkomen. Na lange onderhandelingen werd in 1836 een compromis bereikt en uitgevoerd. Grote delen van de Gooise heide en veengronden kwamen in handen van de overheid, terwijl de erfgooiers eigenaar werden van de veel lucratievere weilanden.

De ‘Kaart van Perk’, A. van Oosterhout en N. Nelemans. Gooiland na de heide verdeeling van 1843 aanwijzende de soort van bebouwing en alle veranderingen tot op gemeld tijdstip, 1843, gedrukt 1845 (1:25000).


De tweede verdeling van 1843
Het was zoals te doen gebruikelijk bij erfgooierszaken niet genoeg. Notabelen begonnen zich ermee te bemoeien. Perk wist dat hij opnieuw tot een vergelijk diende te komen, de regeling van 1843. Het blijkt dat hij flink heeft moeten laveren tussen de overheid en de erfgooiers, maar uiteindelijk tot tevredenheid de compromissen heeft voorbereid: ‘hoezeer ook die gebruiksrechten soms belemmeringen hebben opgeleverd tegen ontginning en nuttige ondernemingen, ze hebben echter bijzonder gestrekt tot instandhouding van een, ofschoon weinig bemiddelde, echter niet behoeftige – en vooral onafhankelijke – stand van landbouwers en kleine grondeigenaars, die, in andere ongelijk vruchtbaarder en voordeliger gelegen streken, is tenietgegaan; alsmede, dat met deze zeer goed tot overeenstemming is te komen, zij het in een laag tempo, maar daardoor ontstaan ook geen botsingen of onherstelbare vernietigingen’.
Perk zag in dat de gebruiksrechten van de erfgooiers blijvend zouden botsen met een uitdijende en op algemeen belang gefocuste overheid. Tegelijkertijd concludeerde hij dat niemand recht had op de volle winst – dat wil zeggen eigendom en gebruik over alle grond.

De regelingen uit 1836 en 1843 schonken de erfgooiers meer juridische zekerheid over hun gemene gronden. Waar het in feite op neer kwam, was dat het sinds de middeleeuwen tot verwarring leidende Romeinsrechtelijke begrip eigendom een plaats kreeg, waardoor de erfgooiers werkelijk eigenaar werden van een deel van de gemene gronden, terwijl de overheid de overige gronden in diezelfde hoedanigheid aan zich trok. Meer dan een halve eeuw later kreeg deze problematiek een vervolg, juist vanwege de onverenigbaarheid van alle rechtsvormen en juridische interpretaties.

Figuratieve kaart der kavelingen van de domaniale heidegronden onder Hilversum ter veiling aangeslagen 1837.

1898-1912 Erfgooierswet

Een zekere Harmen Vos (1844-1919) uit Laren schoot op 18 november 1898 een haas op Gooise grond die aan de Kroon was verpacht. Hij kreeg prompt een bekeuring wegens stroperij, terwijl het nota bene zijn taak was om als onbezoldigd veldwachter erop toe te zien dat er niet zonder vergunning gejaagd werd. Harmen was boos. Hij jaagde immers als erfgooier op eigen grond en een vergunning was daarom niet nodig geweest. De zaak kwam voor het kantongerecht.

J. Smit (1879-1968), Portret van Harmen Vos, 1930. Voorzitter van de nieuwe erfgooierspartij Floris Vos (1871-1943) herinnerde Harmen Vos als ‘(…) dien taaien, verweerden, van leven trillenden afstammeling van den onder Floris de Vijfde Keerlen God geschapen Erfgooier. Deze ongeletterde man sprak, ja oreerde als hij het in zijn kop had gezet, zooals de beste het hem niet zou verbeterd hebben; hoffelijk, nimmer grof, vriendelijk vragend en van verontwaardiging het vaak uitbrullende als een leeuw, was hij de pleitbezorger par droit de naissance (geboorterecht) in den waren zin het woord.’ De Gooi- en Eemlander, zaterdag 8 februari 1919.


Getuige P. Kaarsgaren verklaarde dat hij op die bewuste dag gezien heeft hoe ‘de hem bekende beklaagde te Laren zich begaf naar een eikenhakbosch, toebehoorende aan S. Willard, zich daar verdekt, in jagende houding, opstelde en van uit dat bosch een haas schoot’. Familielid W. Kaarsgaren deed er nog een schepje bovenop: ‘Dat hij dadelijk daarop schieten hoorde en rook van uit het hout van bedoeld bosch zag opstijgen en te gelijker tijd beklaagde uit dat bosch zag komen en een haas van de heide opnemen’. En J. Kaarsgaren had de beschuldigde nog toegeroepen ‘heb je er weer een gepikt?’, waarop geen antwoord was verkregen. Maar de zwijgende jager voerde als verweer aan ‘dat hij als erfgooier en dus als mede-eigenaar van de Gooische heide gerechtigd is daarop te jagen’ en dat Stad en Lande de jachtterreinen niet had mogen verpachten. Het mocht niet baten: Vos kreeg een boete van 25 gulden.

Succesvol in beroep
Harmen liet het er niet bij zitten en zocht het hogerop. Toen het gerechtshof het vonnis bekrachtigde, ging hij zelfs in cassatie. Hij bleef bij zijn standpunten, maar verklaarde ook dat hij ‘zijn geweer [had] afgeschoten, maar dat hij den haas in een wildstrik had gevonden en dat hij het schot heeft gelost omdat hij uit zijn geweer een patroon wilde verwijderen die tengevolge van zwelling door vocht daaruit moeilijk met de hand kon worden genomen’. Heel sterk kwam dit argument niet over, maar de Hoge Raad had een ander probleem: de rechter kon er niet achter komen van wie de grond was, maar stelde wel dat die toebehoorde ‘aan een ander dan hem [Harmen]’. Echter de ‘eigendom van de bejaagde gronden’ en ‘de gerechtigheid tot de jacht op die gronden’ waren kwesties geworden waarover de Hoge Raad geen oordeel kon vellen en bijgevolg diende de rechtsvervolging van Harmen Vos te worden gestaakt.
Het vonnis werd vernietigd op grond van een technisch mankement in de procedure en de Hoge Raad beval het gerechtshof in juni 1900 om opnieuw het hoger beroep van Vos te behandelen. De rechtbank kwam toen met de mededeling dat het een geschil van burgerlijk recht betrof. Het strafrecht was daarom niet van toepassing en de rechtsvervolging werd geschorst. Harmen Vos ging nog geen week na de uitspraak opnieuw op jacht, dit keer op patrijzen op de hei bij Huizen.
De schorsing bleek permanent, net als de alsmaar groeiende ontevredenheid onder de erfgooiers. De haas van Vos had veel losgewoeld. De woede richtte zich op het bestuur, dat voor een groot deel uit niet-erfgooiers bestond. Geregeld maakten erfgooiers, ervan overtuigd dat ze in hun recht stonden, inbreuk op de reglementen. Ze staken zonder vergunning plaggen, groeven leem en grind, hakten bomen en joegen op de heide. Telkens kwam de politie eraan te pas die op gezag van de verschillende Gooise burgemeesters moest ingrijpen.

Een nieuwe erfgooierspartij
In de herfst van 1903 werd door ontevreden erfgooiers een eigen bestuur benoemd onder de naam ‘Hoofdbestuur van de gerechtigden tot de gemeene heiden en weiden van Gooiland’. Maar deze nieuwe partij werd door talloze erfgooiers als onruststoker gezien en daarnaast was er een economisch motief om zich niet bij dit verzet aan te sluiten. De meeste erfgooiers waren volkomen afhankelijk van de meenten en hadden geen andere weidegronden. De nieuwe partij liet daarom via een advertentie weten: ‘Wij geven aan hen wier levensomstandigheden dit mede brengen, dat zij in ’t minst niets voor hun standpunt kunnen opofferen, den raad, om onder protest te laten branden bij de zogenaamde partij van Stad en Lande’. Dat branden van vee ging vooraf aan de toelating op de meent. Een brandmerk zorgde ervoor dat het vee door de meentmeesters (opzichters) herkend kon worden als vee dat met ‘erfgooiersrecht’ mocht grazen op de weilanden.

Bekendmaking Erfgooierswet 1912 en inzage in de ledenlijst, 14 januari 1913. Het bestuur diende voortaan op basis van de Erfgooierswet de leden van de nu Vereniging Stad en Lande van Gooiland bekend te maken.


De Erfgooierswet
Het erfgooiersgekrakeel bracht de regering in actie. Pas in 1906 kwam men na veel onderhandelen binnens- en buitenskamers tot een conceptregeling met conceptstatuten voor een echte en landelijke wet. Deze behelsden dat de zes Gooise gemeenten en de Vergadering aanspraken op de eigendom van de heiden en weiden zouden intrekken. Tevens zou men erkennen dat de eigendom berustte bij de erfgooiers die zich zouden verenigen in een ‘zedelijk lichaam’ met statuten. Het bestuur zou worden gevormd door afgevaardigden van de Gooise gemeenten en de erfgooiers.

Intussen mengde een andere partij zich in de discussie, een partij die een geheel ander belang voorstond. Deze ‘Vereeniging van erfgooiers tot verdeeling van de Heide en Weide en verdere eigendommen van Stad en Lande van Gooiland’ hoopte op de opheffing van het instituut. Het deed er uiteindelijk niet veel toe. De minister van Binnenlandse Zaken stelde van regeringswege in juni 1908 een commissie in die een wettelijke regeling moest voorbereiden ‘tot oplossing van de bestaande geschillen tusschen de belanghebbenden aangaande den eigendom der zoogenaamde “gemeene heiden en weiden van Gooiland” en het beheer en het bestuur over die gronden’. In 1910 was het wetsvoorstel gereed. Het duurde nog twee jaar voordat de Tweede Kamer tot vaststelling kon overgaan. Velen mengden zich in de discussie en daarbij kwam al snel een nieuw strijdpunt boven water: de verschillende belangen van scharende en niet-scharende erfgooiers.

Toen de Tweede Kamer de wet aannam (14 maart 1912) en deze vervolgens aan de Eerste Kamer ter goedkeuring werd voorgelegd (24 april 1912), stuurden de scharenden een adres aan Stad en Lande om namens hen te pleiten voor het afkeuren van de wet. Zij wilden het liefst op de oude voet doorgaan. Hun ongerustheid was prematuur. Vooralsnog werden juist de scharenden door de Erfgooierswet in bescherming genomen. Anderzijds was er ook reden tot zorg, want de erfgooiersorganisatie maakte na eeuwen deel uit van het vigerende recht en was niet langer op gewoonterechtelijke leest geschoeid. Door de Erfgooierswet kreeg de overheid eindelijk greep op de erfgooiers, want de vergadering was een vereniging geworden, klaar voor ontmanteling.

Vergadering erfgooiers in Hof van Holland te Hilversum, vóór 1912.

1912-1940 Erfgooiersreservaat

De niet-scharende erfgooiers en de erfgooiers die weinig meer in het agrarisch bedrijf zagen bleven vragen om opheffing. De agrarische erfgooiers zagen daar niets in, maar er was ze veel aan gelegen de rijen te sluiten. Dit indachtig kwamen de heidegebieden in het vizier; die hadden nauwelijks meer nut voor het boerenbedrijf. Verkoop zou voldoende geld opleveren. Ook kon er worden bespaard op behoud- en beheerkosten en de niet-scharenden zouden eindelijk profiteren. Er waren genoeg potentiële kopers, zoals de Gooise gemeenten en de gemeente Amsterdam.

Bekendmaking door het erfgooiersbestuur van de eerste gewone jaarlijkse algemene vergadering om 10.00 uur te Naarden in de Grote Kerk Naarden, 23 april 1914.


Het bestuur van de erfgooiersorganisatie gaf zichzelf een opdracht: ‘De mogelijkheid te onderzoeken tot regeling betreffende de rechten en bezittingen van Stad en Lande van Gooiland, waarbij de belangen van scharenden, niet-scharenden en Gemeenten, alsmede het algemeen belang van het Gooi zodanig worden behartigd, dat algehele overeenstemming tusschen de drie partijen kan worden verkregen’. Stad en Lande had geen voorwaarden aan de verkoop of de kopers gesteld. En juist dat bracht enkele natuurbeschermers in beweging. Die zagen het zo fraaie Gooi in handen komen van projectontwikkelaars. Of in die van lieden die het liefst een Gooistad wilden bouwen op de Westerheide.
De pers werd gemobiliseerd. Het leverde veel negatieve publiciteit op. Kamervragen en acties van de Vereniging voor Natuurmonumenten deden de rest. Zowel Stad en Lande als de Gooise gemeentebesturen veranderden van inzicht. Ineens ging het om ‘(…) de instandhouding of de bevordering van het natuurschoon, hetwelk immers voor den bloei en de welvaart onzer gemeenten als een vitaal belang kan worden aangemerkt’. De gemeenten zagen in dat het Gooi alleen nieuwe, liefst welgestelde inwoners zou kunnen blijven trekken als de belangen van die mensen zouden worden behartigd. En dat belang lag onder meer in natuurbehoud: het Gooi als ‘Tuin van Amsterdam’ zoals het Algemeen Handelsblad het betitelde.

Het reservaat
De belangen van de verkoper en kopers kwamen nu bij elkaar. Op 11 februari 1930 schreef de commissaris van de koningin in Noord-Holland, A. Röell (1864-1940), een brief aan de burgemeesters van de Gooise gemeenten, met de uitnodiging om te spreken over het behoud van het natuurschoon in het Gooi. Er was al een conceptovereenkomst opgesteld voor een Goois reservaat, waarbinnen de Gooise natuur beschermd werd, als was het een kudde olifanten in een wildpark in Afrika.

In 1932 sloot Stad en Lande een verkoopovereenkomst met het in dat jaar op 11 november opgerichte Goois natuurreservaat, het GNR. Dit had grote gevolgen: omvangrijke delen van de Gooise heiden en jonge bossen waren nu ‘ten eeuwigen dage’ beschermde natuurgebieden, waarop uitbreiding voorgoed afgewend en onmogelijk was. De gronden mochten niet worden verkocht, in gebruik gegeven of als bouwterrein geëxploiteerd. Daartegenover stond dat de Gooise gemeenten, de gemeente Amsterdam én de provincie jaarlijks zestigduizend gulden aan de erfgooiersorganisatie zouden betalen. Dat geld zou deels ten goede komen aan de erfgooiers, deels worden gebruikt om de gronden te beheren.

Men was tevreden. De burgemeester van Hilversum liet weten dat ‘(…) 11 november een datum is die het verdient in de geschiedenisboeken des lands op bijzondere wijze te worden vermeld, omdat toch toen, dank zij uw hooglijk te waardeeren initiatief, de daad werd gesteld waardoor mede mogelijk werd gemaakt, het kostelijk natuurschoon dezer streek, voor het gansche land van zoo eminent belang, ter bewaring en verzorging toe te vertrouwen aan een lichaam, welks doel daarop geheel in het bijzonder is gericht’. De verkoop van de gronden aan de stichting vond plaats op 31 januari 1933 en daarmee was het ‘Erfgooiersreservaat’ een feit.

Kaart van het Goois Natuurreservaat, uitgegeven door de Vrienden van het Gooireservaat, circa 1935.


‘Nieuwe’ erfgooiers
Saillant detail was dat de ophanden zijnde geldelijke uitkeringen een onvoorzien maar logisch effect sorteerden: honderden mannen meldden zich aan als heuse erfgooier en beriepen zich op hun afstamming van oude erfgooiersgeslachten. Daarop besloot het bestuur in een geheime vergadering om de rechtmatigheid van alle aanmeldingen en de afkomst van alle leden te laten uitzoeken. Een ­genealogisch bureau deed drie volle jaren onderzoek in de Gooise archieven om de afstamming in wettelijke mannelijke lijn vast te stellen. Aanvankelijk was het onderzoek gericht op de namen die op de lijst van 1708 voorkwamen, maar later kon het onderzoek beperkt worden. Stond je naam op de lijsten opgesteld in de periode tussen 1708 en de Erfgooierswet van 1912, dan was je erfgooier. Het resultaat was een groei van het aantal erkende erfgooiers van 2122 in 1930 tot 3562 in 1934. De spoeling werd dus aanmerkelijk dunner, maar de verkoop bracht voor elke erfgooier 566 gulden en vier cent op. Een groot bedrag in die tijd. Maar niemand wist dat dit het begin van het einde was van de erfgooiersorganisatie.

Erfgooiers in vergadering in de Grote Kerk Naarden, circa 1920.

1940-1979 Leve de erfgooiers!

Bijna vijftig jaar geleden. De erfgooiers stopten ermee. Om diverse redenen. Zo was het boerenbedrijf van een erfgooier niet opgewassen tegen de grootschalige landbouw en veeteelt, bestond de erfgooiersorganisatie vooral uit niet-scharende erfgooiers, hadden met name Hilversum en Huizen grond nodig voor woningbouw en maakten velen juridisch amok over de erfgooiersrechten. Zeker gezien het feit dat een zeer klein aantal scharende erfgooiers de dienst uitmaakte. Over een enorm gebied. En daarmee over het welzijn van alle Gooiers.

Een toentertijd perfect storm. De erfgooiers hadden lang in het oog gezeten, maar het besef drong door dat hun eeuwenoude landbouwpraktijk, gebaseerd op collectief eigendom van onder meer meentgronden, op losse schroeven stond. En voordat anderen het ‘erfgooiers­probleem’ gingen oplossen, deden ze dat liever zelf. Bovendien: verkoop van hun gronden zou veel geld opleveren. Zoals eerder vermeld hadden de niet-scharende erfgooiers daar natuurlijk de meeste trek in, want op die manier konden zij eindelijk hun erfgooierschap te gelde maken.

Begin juli 1971 werd de opheffing in stemming gebracht tijdens een algemene ledenvergadering in een snikhete Expohal te Hilversum. De Vereniging Stad en Lande van Gooiland telde toen 5041 leden, van wie er ruim drieduizend kwamen opdagen. Men had verstandig genoeg besloten voor deze vergadering geen presentiegeld uit te keren – dat zou immers met een uit te keren bedrag van fl. 7,50 per erfgooier een kostbare zaak zijn geworden.
Met 164 stemmen tegen en 3012 voor werd het pleit beslecht; de erfgooiersorganisatie zou ontbonden worden. Enkelen stemden tegen om nostalgische redenen of omdat zij het ‘zonde’ vonden. Toen deze beslissing werd bevestigd bij Koninklijk Besluit van 11 maart 1973, hield dit tevens in dat de ledenlijst van maart 1972 werd ‘bevroren’. Er kwam geen erfgooier meer bij, er ging geen erfgooier meer af.

Erfgooiers tijdens de algemene ledenvergadering over de verdeling van de gronden. Sportpark Hilversum, 1973. Een gedrukte stem voor of tegen werd in een melkbus geworpen.


De liquidatie
De liquidatie ging vrijwel direct erna van start. De Gooise gemeenten kochten 528 hectare voor vijftien miljoen gulden. Dat waren de gronden die geen agrarische bestemming hadden. De weidegronden, bijna vijfhonderd hectare, werden verkocht voor ruim negen miljoen aan scharende erfgooiers die in het Gooi hun bedrijf wilden voortzetten. Zij betaalden twee gulden per vierkante meter, aanzienlijk minder dan de geldende grondprijs. ­Scharenden die buiten het Gooi, onder andere in Friesland, een nieuw bedrijf wilden opzetten, kregen een uitkering ineens, samen voor iets meer dan elf miljoen gulden.

De uitkering aan de afzonderlijke scharende en niet-scharende erfgooiers bedroeg ongeveer vijfduizend gulden. Dat geld ontvingen zij niet ineens. Eerst kregen alle leden tien bewijzen van deelgerechtigheid uitgereikt, waarop na verloop van tijd uikering volgde. Na regeling van de afvloeiing van personeel, verkoop van dienstgebouwen en -woningen en verkoop van de roerende bezittingen als landbouwwerktuigen en -machines, kon tot de volledige afwikkeling worden overgegaan. Dat duurde nog tot 1981, maar op 28 april 1979 vond de laatste vergadering van de Vereniging Stad en Lande van Gooiland plaats in de Grote Kerk Naarden, volgens De Gooi- en Eemlander een ­‘uitvaartdienst voor de erfgooiers’. Na de laatste hamerslag riep een van hen: ‘De erfgooiers zijn dood, leve de erfgooiers!’.

En daar had hij, zonder het zelf te weten, gelijk in. Toen de erfgooiersorganisatie ophield te bestaan, was het economisch gezien niet langer noodzakelijk een erfgooiers­identiteit aan te meten. Maar tot op de dag van vandaag blijven veel ‘ex-erfgooiers’ dat doen. Waarom? Omdat ze weten én willen weten waar ze vandaan komen, omdat ze verbonden zijn aan de omgeving, een omgeving die hun voorouders vormgaven en waarin de ‘erfgooiers van nu’ wonen en werken.

E.P. van Zachten (1920-1992), Niet-scharende versus scharende erfgooiers. Sportpark Hilversum, 1962. Het onderschrift bij deze foto’s luidt: ‘Eenmaal per jaar komen de ongeveer 4000 erfgooiers in vergadering bijeen. Er wordt gestemd over belangrijke zaken. De scharende erfgooiers (rechts) hebben andere belangen dan de niet-scharenden (links), die nu maar liever de pot verdelen!’

1979-2019 Besluit

Erfgooiers stonden bekend als eigengereid, hardwerkend, stug en conservatief. Die eigenschappen lijken zich af te tekenen op hun gezichten. Er werd inderdaad veel strijd geleverd. Zowel met de overheid als onderling. Maar erfgooiers waren schurken noch verzetslieden. Ze hielden vast aan hun exclusieve gebruiksrechten op de Gooise gemene gronden, terwijl de overheid van het algemeen belang uitging.

De wortels van de erfgooiers en hun nazaten zijn weliswaar wijd vertakt, maar reiken nog steeds diep. Het erfgooierschap bepaalde lange tijd de identiteit van een gestaag groeiende groep Gooiers. Hun geschiedenis begon in de tiende eeuw. In een paar honderd jaar emancipeerden ze van onvrije horigen tot vrije boeren met krachtige rechten op Gooise gronden. Echter het was als water dat de steen uitholt. De gebruiksrechten van de alsmaar minder talrijke ‘boerenerfgooiers’ (scharende erfgooiers) verhielden zich steeds slechter tot maatschappelijke ontwikkelingen en de wensen van een uitdijende overheid. De erfgooiers­organisatie werd geliquideerd.

Toch kwam er pas in 1979 officieel een eind aan het erfgooierschap. Vergist u zich dus niet: de invloed van de erfgooiers op het Gooi is enorm geweest, al is het alleen maar vanwege de overgebleven heidevelden. En er worden iedere dag officieus erfgooiers geboren. Vaak zonder dat ze het weten en zonder dat het invloed heeft op hun leven. Er zijn trouwens nog enkele Gooise boeren die of zelf erfgooier waren of van een erfgooier afstammen…

Deel van de expositie Koos Breukel. Erfgooiers in Singer Laren, 16 juni t/m 30 augustus 2015. Koos Breukel, Els Poolman Simons-Vos, 2014. Erfgooiers waren altijd mannen. Toch maakten vrouwen deel uit van de erfgooiers­gemeenschap. Ze konden het erfgooier­­- schap niet overdragen. Zo bleef het aantal erfgooiers beperkt. Maar zonder vrouwen zouden er helemaal geen erfgooiers hebben bestaan. Ze werkten zij aan zij met hun mannen, vaders en broers en zorgden voor kostenbesparing en ‘mankracht’, denk aan melken, spinnen of het rapen van plaggen. Koos Breukel, Nico van den Brink, 2014.